Rapport: Landelijke Monitoring Anesthesiemedewerkers 2020
Recent is een groot onderzoek uitgevoerd naar de huidige praktijk van de anesthesiemedewerker in Nederland.Binnenkort lees u hierover meer in het vakblad NTvA.Hieronder een korte samenvatting van de belangrijkste bevindingen.
Reeds in 2001 heeft de Nederlandse Vereniging van AnesthesieMedewerkers (NVAM) een monitoring uitgevoerd onder Nederlandse anesthesiemedewerkers. Deze gegevens zijn gebruikt om destijds het beroepsprofiel en het beleidsplan van de vereniging aan te staven. Echter, deze gegevens zijn gedateerd en niet meer passend voor de huidige situatie, waardoor een nieuwe monitoring onder anesthesiemedewerkers nodig werd geacht.
Behalve informatie voor een nieuw te schrijven beroepsprofiel, levert dit onderzoek gegevens op over de wensen van het te voeren beleid door de vereniging. De resultaten uit het onderzoek onder Nederlandse anesthesiemedewerkers kunnen een bijdrage leveren aan de discussies die er momenteel spelen rondom het beroep.
De conclusies en aanbevelingen zullen een aanleiding vormen tot verdere professionalisering van het beroep. Een beroepsvereniging dient immers de belangen te behartigen van het beroepenveld waarvoor het staat.
De landelijke monitoring anesthesiemedewerker omvat een onderzoek naar functie-inhoud, beroepsprofiel en verenigingsbeleid van de NVAM, zoals weergegeven door zowel leden als niet-leden van de beroepsvereniging.
Feiten en cijfers
Het onderzoek is uitgevoerd middels een online enquête, welke open stond van oktober 2019 tot en met januari 2020. Gedurende de onderzoeksperiode hebben 517 personen deelgenomen aan dit onderzoek (respondenten), wat resulteert in een respons ratio van 19% van de totale populatie anesthesiemedewerkers in Nederland (Capaciteitsplan Capaciteitsplan 2021). Deze respons ratio is hoog voor sociaalwetenschappelijk onderzoek.
Opleiding en diploma
Gemiddeld genomen is de groep respondenten 16 (±12 jaren) gediplomeerd als anesthesiemedewerker en is het grootste gedeelte tien jaar of korter in het bezit van het diploma anesthesiemedewerker (45%).
Van de gediplomeerde anesthesiemedewerkers heeft 91% een in-service opleiding gevolgd, 8% een combinatieopleiding verpleegkunde en anesthesiemedewerker (HBOV-t), en minder dan 1% een traineeship CZO na een opleiding Bachelor Medisch Hulpverlener (BMH).
Met merendeel (35%) heeft een verpleegkundige vooropleiding genoten, 27% heeft direct na de middelbare school een opleiding tot anesthesiemedewerker gevolgd.
Dienstverband en salaris
Van de respondenten blijkt 17% werkzaam te zijn in een academisch ziekenhuis, 24% in een topklinisch ziekenhuis en 52% in een perifeer ziekenhuis. Slechts 6% van de respondenten geeft aan niet in dienst te zijn van een ziekenhuis (privékliniek/ ZBC of detachering/ ZZP). Ruim de helft van de respondenten (53%) werkt fulltime als anesthesiemedewerker.
Praktiserende anesthesiemedewerkers zijn over het algemeen ingeschaald in FWG 55 voor niet-academische ziekenhuizen en in schaal 9 voor academische ziekenhuizen. Deze salarissen gelden alleen voor de werkzaamheden die binnen de functie van anesthesiemedewerker worden uitgevoerd, salarisindeling voor aanvullende functies zijn hierin niet meegenomen.
Aanvullend op het salaris, ontvangt 9% van de respondenten een krapte toeslag, en ontvang 23% anderszins een toeslag bij het salaris.
Dienstensysteem
In het merendeel van de instellingen wordt gewerkt volgens een 24/7 schema, waarbij naast werkzaamheden tijdens kantooruren ook gewerkt wordt gedurende avond-, nacht-, en weekenddiensten.
Van de respondenten die werkzaam zijn gedurende dag-, avond-, nacht-, en weekenddiensten, heeft 9% aanwezigheidsdiensten en 32% bereikbaarheidsdiensten. Daarnaast hebben de meeste respondenten (59%) te maken met een combinatie van aanwezigheids- en bereikbaarheidsdiensten.
Aanvullende functie
Van de geïncludeerde anesthesiemedewerkers, geeft 58% aan een andere functie te hebben of werkzaam te zijn in een ander beroepenveld, naast de werkzaamheden als anesthesiemedewerker. Een derde hiervan (33%) is werkzaam als sedatie praktijk specialist (SPS) (zie figuur). De meeste respondenten voeren de aanvullende werkzaamheden uit in een parttime dienstverband (83%) en doen dit in een periode van tien jaar of korter (84%). Het overgrote deel heeft een aanvullende opleiding gevolgd voor deze nevenfunctie (79%). Van de respondenten met een nevenfunctie, voert 92% deze uit in dezelfde instelling waar zij werkzaam zijn als anesthesiemedewerker. Salariëring met betrekking tot nevenfuncties loopt enorm uiteen en is bij veel respondenten vergelijkbaar met het salaris van zijn functie als anesthesiemedewerker. Uit de analyse blijkt wel dat een hoger opleidingsniveau (universitair) vaker beoordeeld wordt met een hoger salaris. Daarbij blijkt eveneens data hogere salarissen worden toegekend wanneer een nevenfunctie wordt uitgevoerd buiten de instelling dan waar zij werkzaam zijn als anesthesiemedewerker.
Beoordeling eigen functioneren
Gemiddeld genomen zijn de respondenten positief over het werk, de eigen werkzaamheden en beroepsuitoefening als anesthesiemedewerker.
Zij beoordelen het vak en bijbehorende werkzaamheden gemiddeld met een 7.5 ±1.2. Daaropvolgend geven de respondenten aan zich zeer ervaren te voelen als anesthesiemedewerker, met een gemiddelde score van 8.0 ±1.6. Zij voelen zich over het algemeen zeker tijdens het uitoefenen van de werkzaamheden (score 8.4 ±1.1) en beoordelen het eigen functioneren als anesthesiemedewerker tevens als ruim voldoende (score 8.0 ±1.0).
De score voor de mate waarin de respondent beschikt over voldoende theoretische kennis die nodig wordt geacht voor de beroepsuitoefening is met een score van 7.7 ±1.1 iets lager dan de score voor de mate waarin de respondent beschikt over voldoende praktische kennis (score 8.4 ±1.0).
Waardering van de beroepsuitoefening
Kijkend naar de mate waarin anesthesiemedewerkers zich gewaardeerd voelen, blijken de resultaten minder positief te zijn.
Salariëring is hierin een opmerkelijk gegeven, waarbij onvoldoende wordt gescoord.
Waardering door de eigen instelling wordt ook als onvoldoende beoordeeld (score 5.3 ±2.5), alsook de waardering door het ministerie/ de overheid (score 2.9 ±2.5).
Ervaring over de inhoud van beroepsuitoefening als anesthesiemedewerker zijn over het algemeen positiever.
Samenwerking binnen het operatieteam en met de anesthesioloog als voldoende beoordeeld. De anesthesioloog is in vrijwel alle gevallen aanwezig bij de inleiding/ toediening van de anesthesie. Opmerkelijk is wel dat de anesthesioloog niet bij elke uitleiding aanwezig is, waarbij onvoldoende wordt gescoord (score 4.9 ±2.8).
Erkenning
Van de ondervraagde populatie wordt met een hoge score van 9.1 ±1.5 aangegeven dat men het belangrijk vindt dat het beroepen een erkende status moet krijgen.
De score op vraag of dit een erkenning moet zijn volgens de Wet BIG scoort iets minder hoog (score 8.1 ±2.5).
Mening over de NVAM
De NVAM wordt door de respondenten voldoende beoordeeld als betekenisvolle en zinvolle beroepsvereniging (score 6.6 ±2.2) en behartigd de belangen van anesthesiemedewerkers voldoende (score 6.0 ±2.0). De beoordeling van de mate waarin de NVAM communiceert met de leden scoort onvoldoende (score 5.4 ±2.0). Logischerwijs is er wel een verschil tussen de waardering van respondenten die lid zijn van de NVAM (score 5.7 ±2.0) en de waardering van niet-leden (score 4.3 ±1.8). Daarbij komt dat weinig respondenten met regelmaat contact hebben met de NVAM (score 2.3 ±2.1).
Communicatiekanalen
De NVAM gebruikt diverse media om te communiceren met de leden, zoals de website, het Nederlands Tijdschrift Voor Anesthesiemedewerkers (NTVA), een app, een digitale nieuwsbrief die per mail wordt verspreid en diverse social media accounts. De meerderheid (46%) is van mening dat de NVAM vaker een nieuwsbrief per mail moet versturen. De meeste informatie wordt gevonden op de website van de NVAM, zoals aangegeven door 42% van de respondenten.
De website en een nieuwsbrief per mail lijken het meest doeltreffend. Het merendeel vindt overigens wel dat het gebruik van zowel de website als de app door de NVAM geoptimaliseerd en geïntensiveerd zouden moeten worden.
Kwaliteitsregister
Van de respondenten geeft slechts 30% aan punten te registreren in het kwaliteitsregister van de NVAM. Op de vraag of het registreren van punten belangrijk en zinvol is, geven de respondenten een gemiddelde score van 5.5 ±2.6.
Als antwoord op de vraag of het mogelijk is om de gestelde norm van 75 bij- en nascholingspunten per vijf jaar te behalen, wordt een score gegeven van 4.8 ±2.6.